pkn-logo

Hervormde wijkgemeente binnen de protestantse kerk in Nederland

MEDITATIE

Oordeel en genade
Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! (Ezechiël 16:6)

Als priester wordt Ezechiël tot profeet geroepen, krijgt hij de taak te spreken tot een gemeenschap die verdreven is van huis en haard en (erger!) tot een volk dat het geloof in zijn God losgelaten had. Israël had voor de ogen van de heidenvolken de heerlijkheid van God met voeten getreden, een heerlijkheid die de profeet herstellen wil. Als je in die situatie aangesteld wordt tot wachter over Israël, is dat verre van gemakkelijk: je taak verzaken betekent oordeel voor jouzelf. Dat geldt vandaag elke geroepen dienstknecht van God, elke ambtsdrager die Zijn woorden ongehoorzaam is. Profeet zijn, het is ook een last.
In Ezechiël 16 klinken 63 verzen lang woorden van God uit de mond van de profeet, woorden over de ontrouw, de straf én het herstel van Jeruzalem. Deze bladzijde van Israëls geschiedenis is zo duister dat de rabbijnen verboden dit hoofdstuk in de synagoge voor te lezen. In vers 16 klinkt het immers: ‘U nam een deel van uw kleding, maakte daarmee voor uzelf de offerhoogten kleurrijk en bedreef er hoererij op. Nooit is zoiets voorgekomen en het zal nooit meer gebeuren.’ Niet voor te lezen in de synagoge – zó zwaar zondigt Israël. Toch hoort dit hoofdstuk bij Gods openbaring, laat het zien Wie de Heere is in Zijn oordeel, ook in verkiezing en genade.
Wij focussen op vers 6. Daar lezen we, terwijl Israël ten dode opgeschreven was: ‘Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef!’ De roep vanuit de hemel is een teken dat God Zijn verbond niet vergeet, al deed Israël dat wel. Om die reden blijven de HEERE en Zijn volk altijd aan elkaar verbonden. Zijn heilige Naam is in het geding.
In ons hoofdstuk houdt God aan het overspelige Jeruzalem voor Wie haar wettige man is, dat Israël de bruid van God was, al is aan die bruid weinig aantrekkelijks te zien. Toen God voorbijkwam, zag Hij Israël ‘trappelend in uw bloed’. Ze was als pasgeboren baby op het veld geworpen, te vondeling gelegd. Nergens hoeft Israël zich op te beroemen, want in Gods ontferming is het volk opgenomen dankzij Zijn verkiezende genade, die rijk en vrij is. Kijk  maar naar vers 3: ‘Uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethitische.’ De wortels van het volk liggen in van God vervreemd heidendom, zoals Abraham uit Ur kwam en vreemde goden aanbad. Zo was Israël, als een ongewenst kind dat moederliefde mist.
Tóen kwam God voorbij. Verrassend! Dat is de verrassing van de verkiezing van wat in zichzelf niets is. Israël als beeld van een verschopt kind. Ook mijn persoonlijke leven zonder God is erin getekend. Als de HEERE komt, gaat Hij aan het werk, zoals in onze tekst: ‘Leef!’ Bedenk daarom je donkere afkomst, zie wat Hij doet, sluit je hart niet af voor Zijn onmetelijke liefde. Met Paulus mag de kerk (en mag ík) vandaag de verkiezing van God aanbidden, de verkiezing van Zijn gemeente.
Is Gods omzien naar ons, de bij Israël ingelijfde gemeente, geen appèl om te wandelen in de wegen van God? Ja!

Piet Vergunst

MEDITATIES:
Meditatie 20210305
Meditatie 20210219
Meditatie-20210205